Busken Huet eerder zoet dan zuur over Sluiter
Het portret van Conrad Busken Huet (vervaardigd door Petrus Johannes Arendzen), met handtekening, en het artikel uit 1890 over hem in Het Vaderland.
Van Conrad Busken Huet (1826-1886) las ik jaren geleden al iets over Willem Sluiter, met enige verwondering over de mildheid van de criticus die zo’n afkeer had van dichtende dominees, maar aan nadere bestudering kwam ik niet toe. Recent concludeerde ik dat hij over Sluiter eerder zoet dan zuur was.
“Conrad Busken Huet was kritisch, op het zure af”, meldt de site Literatuurgeschiedenis[1]. Zijn scherpe oordeel over dichter Nicolaas Beets (die hij “een kopje kleiner maakte”), waarover ik las in een onlangs verschenen bloemlezing uit diens poëzie[2], prikkelde me alsnog beter te lezen wat hij over Sluiter schreef. Busken Huet, die zelf even dominee is geweest voordat hij van de pen ging leven, vond dat Beets geen dominee had moeten worden, want : ”Bijna al onze predikanten, voor zo ver zij tevens dichters waren, zijn middelmatige dichters geweest.”
Vanuit Batavia
De gedegen studie van F.C. Kok uit 1958 over Buiten-Leven, het lange en meest gewaardeerde gedicht van Sluiter, begint opmerkelijk genoeg met een lang citaat uit de in 1875 in Batavia verschenen Novellen van Busken Huet (ook al gepubliceerd in het Amsterdamse tijdschrift Nederland uit 1870).
Omdat Busken Huet hierin ook zijn oordeel en informatie geeft over Sluiter en de Achterhoek, is het interessant genoeg dit gedeelte compleet over te nemen: “Aan den kronkelweg, die van Zutfen over Lochem naar Borculo en van daar naar de Pruissische grenzen voert, ligt in het hart van den Gelderschen Achterhoek een groot dorp, Eibergen, dat in de vaderlandsche historie en in de vaderlandsche litteratuur eene bescheiden vermaardheid bezit. Daar was het, dat twee honderd jaren geleden de Munstersche bisschop Jan van Galen[3], de grenzen overgetrokken, een begin maakte met den zegevierenden strooptocht, die eerst onder de muren van Groningen met eene nederlaag eindigen zou; daar dat de populaire dorpspredikant en dichter Willem Sluyter [hij schreef de naam met y] omstreeks denzelfden tijd die stichtelijke overdenkingen rijmde, welke nog in onze dagen worden herdrukt en, hoewel in Holland weinig meer gelezen, in de Kaapkolonie een goeden aftrek vinden.”
De laatste pleisterplaats
Ik nam/had niet de tijd de rest van het verhaal op me in te laten werken, vond dat ook raadselachtig. Ineens stapte de schrijver over op een andere Willem Sluiter, uit de 19e eeuw. Volgens zijn verhaal De laatste pleisterplaats kwam in Eibergen een predikant met dezelfde naam zijn laatste aardse woning kiezen, maar dat was geen dichter en voorzover bekend ook geen afstammeling van dichter-dominee Willem. Achteraf is ook niet duidelijk of hij er wel een bepaalde predikant mee voor ogen had. De herinnering aan de zin van de dichter Sluiter voor de natuur leefde volgens hem destijds nog in Eibergen voort in een Sluiterboompje, waarmee hij de boom in Haarlo zal hebben bedoeld, waaronder Sluiter lang met zijn Borculose collega Magnus Umbgrove bleef napraten als ze elkaar hadden bezocht.
“Al is de Geldersche Achterhoek”, aldus Busken Huet, “niet wat men een mooi land noemt, toch heeft de streek haar eigen schoon. Het eiken- en het dennenhout tiert er welig, de boekweitvelden schitteren er zomers in de zon tegen den rossen gloed der golvende heide op den achtergrond, en de Berkel kronkelt zoo geestig door het landschap, haar snellen stroom nu verbreedend, dan versnellend, dat men in het schoone jaargetijde haar de verwoestingen vergeeft, die zij in het barre somtijds aanrigt.” Het vervolg over “Sluyter der verdichting, zoo men wil” trok mij eerder niet tot goed verder lezen, vooral omdat er amper een verband met de dichter in te lezen was, ook niet helder werd waarom het zich in Eibergen afspeelde, maar kan voor de lezer van toen best aantrekkelijk zijn geweest. Die werd getrakteerd op een komische kijk op een oude dorpsdominee. Het stuk eindigde met een verwijzing: (Java-Bode). De schrijver vertrok in 1868 naar Nederlands-Indië, waar hij (hoofd)redacteur werd van de Java-Bode, tot begin 1873. In die periode moet hij het hebben geschreven. Of hij ooit Eibergen met eigen ogen zag, is niet bekend.
Raadselachtige reactie
Raadselachtiger nog dan de fantasie van Busken Huet vond ik een reactie erop, in de krant Het Vaderland van 13 oktober 1890, in de vorm van Literaire Bespiegelingen. Het was een reactie op de in 1890 gepubliceerde Brieven van Cd. Busken Huet, die door zijn vrouw en zoon een paar jaar na zijn overlijden werden uitgegeven. Het stuk opende met de bekende dichtregels van Sluiter uit Buiten-Leven:
Dichterlijke naturen zouden volgens de auteur zeggen dat het hier om kreupelrijm ging. Te opmerkelijker werd het daarom genoemd dat deze regels Conrad Busken Huet op de lippen kwamen. In de publicatie uit 1870 komen ze in het geheel niet voor. Of ze er in 1890 wel bij werden opgenomen, kon ik niet achterhalen. De krant gaf deze regels opmerkelijk veel aandacht. Het lijkt op verwondering over de mildheid van Busken Huet voor de dominee en dichter uit Eibergen. Het verder niet zo interessante verhaal van Het Vaderland ging vooral over de mogelijkheid van een professoraat van hem aan het eind van zijn leven. Het zoet voor Sluiter blijft hangen.
Arend J. Heideman Gelselaar, oktober 2026
[1] Zie https://www.literatuurgeschiedenis.org/schrijvers/conrad-busken-huet.
[2] In mijn dichten is mijn hart; Bloemlezing uit de poëzie van Nicolaas Beets, Verzorgd en ingeleid door Rick Honings, Amsterdam, 2026.
[3] Busken Huet verwart de Nederlandse admiraal Jan van Galen met de Munsterse vost/bisschop Bernhard von Galen.