Sluiter en zijn melodieën in andere liedbundels
Enige tijd geleden deed dr. G.R.W. Dibbets onderzoek naar het gebruik van melodieën uit bundels van Willem Sluiter door Joannes Vollenhove in diens liederenbundels[1]. ( Klik op volgende titel om artikel te lezen: Geert Dibbets - Sluiter en de zangwijzen van Vollenhove.docx). Mij is gevraagd om enkele opmerkingen hierbij te plaatsen.
Van oudsher is het gebruikelijk om op bestaande melodieën teksten te schrijven. Dit gebruik heet contrafact[2]. Dat gebeurde in de tijd van Sluiter en Vollenhove (de 17e eeuw), maar ook nu vindt dit oude gebruik nog steeds plaats. Denk maar aan gelegenheidsliedjes op bruiloften. Zo kan het gebeuren dat een welkomstlied gezongen moet worden op de wijs van bijvoorbeeld ‘In een blauw geruite kiel’.
In 1661 debuteerde Sluiter met zijn liedbundel Psalmen, Lof-sangen ende Geestelike Liedekens (PLG). Deze bundel bestaat uit 97 liederen, waarvan er 50 met melodienotatie én becijferde bas. Daarnaast vermeldt Sluiter vele andere melodieën die als wijs gebruikt kunnen worden. In vele andere liederenbundels uit de 17e en 18e eeuw vinden we melodieën uit bundels van Sluiter als wijsaanduiding terug. Dat zien we onder andere in bundels van de Sluise predikant David Montanus († 1687), de Edese ds. J. Cloeck (of: Kloeck; 1641-1714), ds. J. van Lodensteyn (1620-1677) en ds. V. van Oosterwyck (1603-1675). En in 18e eeuwse bundels van bijvoorbeeld de Zeerijpse predikant Johan Verschuir (1680-1737), ds. W. Schortinghuis (1700-1750) en ds. C. Tuinman (1659-1728)[3]. En zo ook in de bundels van Sluiters grote vriend Joannes Vollenhove (1631-1708). Daarover later meer.
Bij de meeste melodieën waarnaar Sluiter verwijst gaat het om een Psalm: 70 keer. Tien keer noemt Sluiter een lied uit de bundel Stichtelycke Rymen van de remonstrantse predikant Dirck Raphaëlsz. Camphuysen. In PLG wordt zeven keer een lied van ds. Bernardus Busschoff (1592/3 – 1639) genoemd. Ze zijn afkomstig uit Nieuwe Lof-sangen en Geestelijcke Liedekens, waarvan de eerste editie waarschijnlijk verscheen rond 1625. De oudst bewaard gebleven editie is van ongeveer 1694.
De meeste genoteerde melodieën in PLG zijn speciaal voor Sluiters boek gecomponeerd (door meerdere componisten[4]). Daarom wordt er ook nogal eens in andere liedboeken verwezen naar een melodie bij Sluiter, die verder in geen ander liedboek staat afgedrukt.
De studie van Dibbets over de melodieën van Sluiter bij Vollenhove
Op pagina 7 van zijn hierboven genoemde studie, zegt Dibbets dat in Poëzy van Vollenhove driemaal verwezen wordt naar een melodie van Sluiter, op de pp 37, 81 en 89. Vervolgens ‘ook bij Sluiter ontbreekt een verwijzing naar een psalmmelodie’. Dat klopt, omdat er geen psalmmelodie is met dit metrum en strofeopbouw. Sluiter heeft zoveel mogelijk gebruik gemaakt psalmmelodieën, omdat hij in de eerste plaats dichtte voor zijn eenvoudige gemeenteleden voor wie een aantal psalmmelodieën bekend waren omdat ze in de kerk gezongen werden. Toch lukte dat niet altijd.
Op pagina 8 komt de muzieknotatie ter sprake bij lied 8 op pagina 20 in PLG: “Vollenhoves ‘op Sluiters muzyktoon’ suggereert dat die melodie niet algemeen bekend was en dat de tekst dus door Sluiter was getoonzet.” Het is inderdaad een nieuw gecomponeerde melodie waarvan helaas (nog) niet bekend is wie de maker ervan is. Deze melodie komt alleen in Sluiters bundel voor. Zo zijn er vele voorbeelden te noemen waarin verwezen wordt naar Sluiters liedboek, omdat veel melodieën nieuw gecomponeerd waren en dus verder onbekend. Blijkbaar vond men ze wel mooi, waardoor er naar verwezen wordt.
Op dezelfde pagina 8 brengt Dibbets de Franse melodie ‘Si c’est pour mon puccelage’ (mijn maagdelijkheid) ter sprake. Sluiter noemt deze melodie niet op pp. 6/7 (lied 3). Alleen ‘Als een uyt-gestorten Balsem’ wordt daar genoemd. De melodie van dit lied is afgedrukt, gezien de tekst ‘Als volght’. En ook bij het lied van Sluiter ontbreekt een verwijzing naar een psalm, ook weer om de eenvoudige reden dat er geen psalmmelodie op deze tekst past. In posthume uitgaven van PLG staat achterin een ‘vertoogh der voysen’[5]. Dat is een lijst met de liederen die in PLG staan met daarbij andere alternatieve melodieën die niet vermeld staan bij de liederen zelf. In deze lijst staat dat lied 3 van PLG onder andere te zingen is op de Franse melodie ‘Si c’est pour mon puccelage’.
Maar Sluiter noemde dus alleen bij lied 3 ‘Als een uyt-gestorten Balsem’. Dit is echter een lied van de genoemde ds. Bernardus Busschoff, geestverwant van Sluiter. Het is het eerste lied van de rubriek Nieuwe vermeerderingh van den sesten druk in Nieuwe Lof-sangen. In deze bundel staan geen muzieknotaties afgebeeld. Als wijsaanduiding boven dit lied van Busschoff staat ‘Jonge dochters vol van…’ Dit lied was in de 17e eeuw zeer populair. En het werd gezongen op de melodie van, jawel: Si c’est pour mon puccelage. Op deze melodie kon ook gedanst worden. Sluiter zegt in zijn toelichting (Noodige onderwijsinge en Vermanige aen den Christeliken Sanger ende Leser, NO)geen aanstoot te willen geven door wereldlijke melodieën te gebruiken. Dit is dus een wereldlijke melodie, maar door een geestelijke tekst als melodieverwijzing erbij te zetten was het blijkbaar niet meer aanstotelijk. Sluiter zelf verwees niet naar wereldlijke melodieën. De profane wijsjes werden er in postume uitgaven (sus na Sluiters dood) pas bij geplaatst.
Omdat in Vollenhoves Poëzy precies dezelfde melodieverwijzingen genoemd worden als in het ‘vertoogh’, wijst dit volgens Dibbets erop dat Vollenhove dit ‘vertoogh’ onder ogen heeft gehad. Dat hoeft echter niet, want in andere liedbundels komen vaak dezelfde rijtjes melodieverwijzingen voor waarop het betreffende lied is te zingen.
Pagina 9: Sluiter noemt op pagina 106 (lied 39) als melodiealternatief de Psalmen 38 en 61 en niet ‘Poliphemus aen de strande’. Het hierboven al genoemde ‘Vertoogh’ noemt deze wijs wel. Dat Sluiter het niet noemt heeft te maken met Sluiters principe geen wereldlijke melodieën te willen gebruiken (lees: noemen). Daar hadden de uitgevers van Sluiters werken blijkbaar geen moeite mee en geen boodschap aan.
Op dezelfde pagina 9: ‘’t Huwlyk is een goede zaak.’ Deze melodie wordt door Sluiter genoemd bij lied 11 op pagina 28/29. Dit is weer een lied van ds. Busschoff. Het is te vinden op pagina 70 van diens liedboek. Als melodieaanduiding boven Busschoffs lied staat ‘Schoonste nimphe’. Om de bekende reden (wereldlijke melodie) noemt Sluiter alleen Busschoffs lied, dat dus gezongen werd op de wijs van ‘Schoonste Nimphe van het wout’, want het notenbeeld is de wijs van deze melodie.
Pagina 8: Vollenhove was een vriend van Sluiter en ze stuurden elkaar hun gedichten/liederen toe. Het is dus voor de hand liggend dat Vollenhove Sluiters liedboek geraadpleegd heeft voor de melodieën. Het is ook geheel legitiem. Iedereen deed dat en het is op te vatten als eervol als men je melodie gebruikt of ernaar verwijst. Er bestonden geen auteursrechten.
Op deze pagina 10 en 11 citeert Dibbets ook de regels uit NO waarin Sluiter aangeeft geen wereldlijke melodieën te gebruiken om geen aanstoot te geven. Toch gaat dit niet helemaal op. We zagen van een tweetal liederen dat Sluiter via via wereldlijke of profane melodieën gebruikte of er naar verwees. Minstens twee melodieën die afgedrukt staan in PLG zijn wereldlijke melodieën. Het betreft de liederen 35 en 85. Lied 35 heeft geen verwijzing naar de titel van die melodie. De genoteerde melodie is echter van de Tweede Carileen. Dit was een danswijsje, waarop ‘Spoeyt u voetjes’ werd gezongen. Lied 85 heeft ook geen melodieverwijzing, maar ook dit is een profane melodie. Het is een courante waarop het dansliedje ‘Ick drinck de nieuwe most’ gezongen werd[6]. Zo zien we dat Sluiter het gebruiken van wereldlijke melodieën toch niet helemaal kon uitsluiten. Het is bekend dat Sluiter de fluitbundels ‘Der fluyten Lust-hof’ van de blinde fluitist en klokkenist jhr. Jacob van Eyck (1589/90 – 1657) in zijn bezit had. Daar staan deze melodieën ook in. Wellicht heeft hij ze hieruit overgenomen.
Gert Oosterom Gouderak, 12 mei 2026
[1] dr. G.W.R.Dibbets: Sluiter en de zangwijzen van Vollenhove (2025). ( Klik op volgende titel om artikel te lezen: Geert Dibbets - Sluiter en de zangwijzen van Vollenhove.docx)
[2] Zie voor meer informatie: Louis Peter Grijp Het Nederlandse lied in de Gouden Eeuw; Het mechanisme van de contrafactuur Amsterdam, 1991.
[3] Zie de begeleidende tekst pp. 342-243 in mijn editie van Psalmen Lof-sangen ende Geestelike Liedekens Willem Sluiter (1627-1673) naar de editie van 1661.
[4] Helaas is onbekend welke componisten. Wellicht onder anderen Lucas van Lenninck, de toenmalige organist van de Lebuïnuskerk in Deventer.
[5] Wie deze lijst opstelde is niet bekend. Waarschijnlijk de uitgever, maar het kan ook zoon Johannes geweest zijn, beiden.
[6] Zie De top 40 van de Gouden Eeuw nr. 18a/b. Margot Kalse en Olga van Marion, 2022