Willem Sluiter nam tekst over uit katholiek stichtelijk werkje

Schermopname 1157Voorkanten eerste en latere druk van het katholiek werkje waaraan Willem Sluiter teksten ontleende voor zijn liederen, gevonden via Google Books.

In de dichtregels van Willem Sluiter klinkt ook werk door van anderen, waarvan een klein deel zelfs zonder bronvermelding compleet is overgenomen. Dit leverde hem waardering op voor de geest van de Moderne Devotie die werd bespeurd, maar ook kritiek. Interessanter wellicht en amper opgemerkt is dat hem ook een katholiek werkje inspireerde, een vertaling door priester Anthonius van Hemert. Hij nam er woorden uit over.

Bij het aanvullen van informatie over weer een ontdekking rond Willem Sluiter kwam als onverwachte bijvangst langs digitale weg een bijzonder artikel aan het licht van literatuur-historicus en filoloog Leendert Strengholt (1930-1989): Sluiter imitator[1], dat in 1960 in de Nieuwe Taalgids verscheen.

Strengholt bleek een uitzonderlijk geheugen te bezitten voor teksten. Hij kreeg een zestiende-eeuws katholiek stichtelijk werkje in handen, las er wat in en stuitte op formuleringen en zinnen die hij herkende van een paar liederen van Willem Sluiter. Zo kwam hij op het op het spoor van “(…) sterke staaltjes van navolging, die ons opnieuw voor het probleem plaatsen van de waardering van Sluiters dichterschap”.

Tekstvergelijking in voetspoor F.C. Kok

In zijn artikel toonde Strengholt aan de hand van uitvoerige tekstvergelijking aan, dat Sluiter zich in Eibergen moet hebben verdiept in een boekje, dat omstreeks 1550 in Antwerpen voor het eerst het licht zag en enkele malen is herdrukt, ook nog in 1687. Er stond de vertaling in van drie werken die, ten onrechte, aan Augustinus (354-430) werden toegeschreven. In de vertaling van Anthonius van Hemert, “regulier by Eyndoven”: Sinte avgvstinvs vierighe Medidatien oft aendachten. Ende die alleenspraken der zielen tot God. Ende dat Hantboecxken vander aenschouwinghe Christi.... Nu van nieus overgheset door Anthonium van Hemert. De vertaler werd begin 16de eeuw te Nederhemert geboren, aanvaardde het kloosterleven in den Hage onder Woensel, werd regulier kanunnik te Marienhage bij Eindhoven en is tot priester gewijd.

Strengholt trad met zijn onderzoek en artikel in het voetspoor van F.C. Kok van wie in 1958 een boek verscheen over Willem Sluiters Buiten-Leven. Die kwam tot de conclusie dat Sluiter in die bundel 10 procent had ontleend aan de Zeeuw Johan de Brune, wat Sluiters werk in zijn ogen verzwakte.

Met taal- en letterkundige Klaas Heeroma, aan wie Sluiter zijn herwaardering heeft te danken, stelde biograaf Cornelis Blokland in zijn proefschrift over Sluiter in 1965, dat Kok zich te weinig op zeventiende-eeuws en te veel op modern standpunt plaatste, waarbij hij doelde op het indertijd gangbare voortborduren op teksten van anderen zonder de naam en herkomst te vermelden. Waarschijnlijk volstond Blokland op dezelfde grond met het slechts signaleren van Strengholts artikel. Hij ging er niet nader op in.

Geest van de Moderne Devotie

Hoewel Bloklands eigen onderzoek naar Sluiters inspiratie door regels uit De Imitatie van Christus van Thomas à Kempis los moet worden gezien van de invalshoek van Kok en Strengholt, is het achteraf toch interessant er hier nog iets over door te geven. Blokland stelde vast dat Sluiter er op veel plaatsen in zijn werk er blijkt van geeft dat hij het geschrift van Thomas zeer goed gekend heeft: “Verspreid over Sluiters bundels treft men een vrij groot aantal liederen aan die gedeeltelijke bewerkingen zijn van hoofdstukken uit de Imitatio.” Een aantal voorbeelden hiervan liet hij er op volgen. Die konden volgens hem met vele andere vermeerderd worden. Blokland concludeerde: “Veel van de geest van de Moderne Devotie is in Sluiters werk terug te vinden.” Eerder meer waardering zo voor de dichter, dan minder.

Strengholt kwam in de Nieuwe Gids met een andere invalshoek op een ander oordeel uit. Hij schreef zijn artikel enige jaren, voordat hij in 1968 bij de Vrije Universiteit in Amsterdam aan zijn wetenschappelijke carrière begon. Toen hij hiervoor werd benaderd, op grond van zijn voortreffelijke publicaties, bleek, dat hij zelf nog geen universitaire examens had afgelegd, slechts in het bezit was van een diploma MO B.[2]

Katholiek stichtelijk werkje

Opmerkelijk aan de Sluiterpublicatie van Strengholt is, dat hij geen aandacht schonk aan de achtergrond van de vertaler, die de dichter voorthielp. Net zo bijzonder is het daarom dat dit na Strengholts overlijden in de herdenkingsrede van H. Duits op 13 juni 1990 wel werd aangestipt. Hij sprak in dit verband over een “katholiek stichtelijk werkje”. Wel wist Strengholt al dat het geen tekst van Augustinus betrof. Niet bekend is wanneer dit aspect werd ontdekt. Sluiter moet er vrijwel zeker van zijn uitgegaan dat het om vertaalde woorden van de kerkvader ging.

“Een systematisch onderzoek heb ik niet ingesteld, ofschoon ik ervan overtuigd ben dat een nauwkeurige vergelijking van Sluiters dichtwerk met Van Hemerts vertaling meer voorbeelden van imitatio zal opleveren dan de twee die ik hier geven kan”, schreef Strengholt. Zijn voorbeelden waren afkomstig uit de in 1722 verschenen zevende druk van Sluiters Gesangen van Heylige en Godtvruchtige stoffe. Ter illustratie hier het eerste vers van het eerste lied dat hij vergeleek:

Van Hemert, vierighe meditatien, Dat I. Capit. (fol. 1ro-2ro). een ghebedt tot godt almachtich om beteringhe des levens.

O Heere mijn Godt, gheeft mijnre herte dattet u begheere, begheerende soecke, soeckende vinde, vindende beminne, ende beminnende mijn sonden aflegge, ende die afgheleyt hebbende, niet weder en hale.

Sluiter, gesangen (7de dr., 1722), blz 58-59. gebed om beteringe des levens.

1. O Heere! geef mijn ziel begeert om u te minnen,
Vest meer en meer op u, mijn soo verstrooyde sinnen:
Laet my afleggen eens mijn sonden altemael,
Soo dat ik nimmermeer deselve wederhael.

Worsteling met teleurstelling en originaliteit

Uit Strengholts vergelijking en nadere bestudering hiervan blijkt ook direct hoe goed hij midden vorige eeuw de dicht- en liedregels van Sluiter nog kende. Als die voor hem weinig betekenis hadden, zou het waarschijnlijk niet zo ver zijn gekomen. Hij gaf hier bij zijn tweede vergelijking ook iets van prijs: “Sluiters tweede imitatio van Van Hemert betreft een lied, dat ik voor mij altijd gehouden heb voor een van de aantrekkelijkste van zijn vele gezangen.” Het lied Yverige begeerte om god te loven en te danken.

Wetenschappelijk gezien is de publicatie van Strengholt, die naar de Vrije Universiteit moest komen als interpretator van zestiende- en zeventiende-eeuwse teksten, zeer interessant. Ondanks zijn vondst blijft ook de indruk hangen van een lichte teleurstelling. Kennelijk had hij Sluiter hoger aangeslagen en is hij door het werk van Kok aangespoord om verder te graven.

Strengholt stelde vast dat zijn twee voorbeelden van berijming van een bestaande prozatekst tonen hoezeer Sluiters dichterlijke fantasie aan zijn lectuur gebonden was: “Gebrek aan poëtische zelfstandigheid maakt deze dichter tot het echte type van de poëta minor [mindere of kleinere dichter]. Dat hij niettemin een werkelijk goede berijming kon leveren, die ons ook nu nog door oprechte eenvoud weet te ontroeren, daarvan is naar mijn gevoel vooral het laatste gedicht een bewijs.”

In zijn slotalinea verdedigde Strengholt Sluiter nog sterker: “Daar komt bij, dat het Sluiters bedoeling in de allereerste plaats was te stichten.” Met zijn slotzin dong hij hier weer wat op af: “De bovenpersoonlijke strekking van zijn liederen mag misschien gelden als een rechtvaardiging voor zijn onmiskenbaar tekort aan originaliteit.” Hier worstelde hij kennelijk meer mee dan met de herkomst van de aangehaalde woorden.

Arend J. Heideman                                                                         Gelselaar, maart 2026

 

[1] Te lezen door op deze titel te klikken.

[2] Herdenkingsrede H. Duits, uitgesproken in de Vrije Universiteit te Amsterdam op 13 juni 1990.