Eibergse Sang-Lust gezien als meest karakteristieke bundel

Dr. C. Tazelaar met de voorkant van het blad waarin hij een serie artikelen over Willem Sluiter schreef.
Eibergsche Sang-Lust[1] is de meest karakteristieke bundel van Willem Sluiter, volgens de literair geprezen dr. C. Tazelaar (1891-1953) in 1931 in een serie artikelen in het blad Op den Uitkijk[2], met als titel Willem Sluyter van Eibergen; Een 17e eeuwsch volksdichter. Niemand heeft deze bundel er zo uitgelicht, op basis van argumenten, als hij. “De belangrijkste van Sluyters dicht-verzamelingen is hij niet, maar wel is hij de meest directe vervulling van ’s dichters ideaal”, schreef hij. Dit maakt het aantrekkelijk verder in te gaan op Tazelaar en zijn artikelen.
Tazelaar is in relatie tot Sluiter ook om andere redenen interessant, leert zijn levensverhaal. Van hem is geschreven dat hij het calvinistische volksdeel nader heeft gebracht tot de moderne letterkunde[3]. Alexander Sizoo (1889-1961), een Nederlands classicus gespecialiseerd in het werk van christelijke Latijnse schrijvers en rector van de Vrije Universiteit, beschreef hem als een beginselvast man, die hooggeacht werd als literair deskundige.
Nog voordat in de tweede helft van de 20e eeuw Sluiter terug in de belangstelling kwam door taal- en letterkundige Klaas Heeroma en biograaf Cornelis Blokland en vrij kort na de verschijning in 1919 van het boekje van de Achterhoekse schrijver Hendrik Willem Heuvel over de dichter en dominee uit Eibergen, publiceerde Tazelaar voor een breed publiek over hem. Details wijzen er op dat hij ook heeft geput uit Heuvels werk, al noemt hij deze bron niet. In zijn eerste artikel brengt hij al ter sprake, dat in Amerika (ook Heuvels woorden) “in de Hollandsche Kolonie van Kalamazoo”, midden in de bible belt in de staat Michigan, eind 19e eeuw Sluiters werk nog zou zijn herdrukt. Sporen, laat staan exemplaren van deze uitgave zijn tot op heden nog nergens teruggevonden, ook niet bij lokale calvinistische experts en bibliotheken, die Sluiters werk wel kennen of zelfs bezitten in meer reguliere uitgaven. Wat Tazelaar schreef over de vrome moeder van Sluiter, is ook alleen te lezen in het verhaal van Heuvel, die de historie graag vermooide met een scheut verbeelding. Desondanks is de rest van Tazelaars verhaal nog altijd de moeite van het lezen waard. Hij kan er in de jaren dertig een groot aantal Nederlanders mee hebben bereikt, niet alleen Achterhoekers.
Veel invloed op ontwikkeling gereformeerde volk
Via de krantensite Delpher wekten berichten over een artikel van dr. C. Tazelaar over Willem Sluiter, in het blad Op den Uitkijk mijn interesse. “Dr. C. Tazelaar brengt ons de figuur nader van Willem Sluyter van Eibergen, een 17e eeuwsch volksdichter”, meldde christelijk-historisch dagblad De Nederlander op 18 augustus 1931 in een bericht over een nieuw nummer van dit “tijdschrift voor het christelijk gezin”, een veertiendaags blad van de Gebr. Zomer en Keuning’s Uitgeversmij te Wageningen. Het kleine christelijke krantje De Graafschapper uit Aalten berichtte op 19 mei 1931 ook al over verhalen in Op den Uitkijk: “Dr. C. Tazelaar verplicht de abonné’s aan zich door een biographie over Willem Sluyter van Eibergen te bieden. Om in een volgend nummer te komen met een beschouwing, het dichtwerk van den bekenden Gelderschen poëet gewijd.”
Tazelaar mag bijna een eeuw na zijn Sluiterserie niet meer bekend zijn, eens was dat anders. Hij was ruim dertig jaar (1914-1945) leraar aan de Chr. H.B.S. in Amsterdam, waar hij zelf het Gereformeerd Gymnasium bezocht had (in 1945 werd hij hier rector van) en aansluitend studeerde aan de Gemeentelijke Universiteit. Zijn grote kennis van de nieuwe Nederlandse letterkunde bleek uit zijn Beknopt Handboek, dat bestemd was voor gebruik op middelbare scholen. A. Sizoo noemde als de grote verdienste van Tazelaar, dat hij zijn geloofsgenoten heeft voorgelicht: “In talloze artikelen en andere geschriften heeft hij hun geleerd, hoe zij de producten der moderne literatuur moesten lezen en beoordelen.” Hij deed dit door beoordelingen in Stemmen des Tijds, het Calvinistisch Weekblad en de Lectuurgids. Periodiek vatte hij zijn gedachten samen in een lange reeks boeken. Bovendien hield hij voordrachten en radiolezingen. “Door dit alles heeft hij onmiskenbaar een belangrijke invloed gehad op de culturele ontwikkeling van het Gereformeerde volk”, concludeerde Sizoo. Tazelaar was lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en van het Historisch Genootschap. Vanaf 1939 onderwees hij aan de Vrije Universiteit de didactiek en de methodologie der Nederlandse taal- en letterkunde.
Voor zondagmiddagen en winteravonden
In zijn inleidende artikel over Sluiter voor Op den Uitkijk deelt Tazelaar hem in bij de dichters, die zich een roem verwierven, die heenreikte over de grenzen van hun eeuw: “In zijn Achterhoeksche omgeving is hij bekend geweest als weinigen en nog in de 18e, zelfs, maar in mindere mate, in de 19e eeuw, leefden zijn verzen onder het eenvoudige volk. Het ‘Sluyterboek’ was in tal van gezinnen in groote eere en bood op Zondagmiddagen en winteravonden een altijd weer met stille vreugde genoten lectuur.”
Tegen de stormloop van de vernieuwende beweging van Tachtigers was de langzamerhand ineengeschrompelde populariteit van Sluiter volgens Tazelaar niet bestand. Desondanks, signaleerde hij ook, was een Sluiterboek in die jaren nog altijd een waardevol bezit, moeilijk te krijgen als men het kopen wilde. Tegen deze achtergrond wilde hij er graag een keer iets over schrijven. Bij de beknopte levensschets in het eerste artikel stipte hij al aan dat hij in het bijzonder de aandacht wilde vestigen op de bundel Eibergsche Sang-Lust. Na een beschouwing in het algemeen van Sluiters werk en van de hoofdgroepen van zijn gedichten (stichtelijke verzen, verzen over het natuur- en buitenleven en geestelijke hymnen) kwam hij in het vijfde artikel hierop uit (omdat zijn visie op Sang-Lust aanvullender en opmerkelijker is dan zijn commentaar op Sluiters andere werk, beperk ik me in dit artikel hiertoe). Hij lichtte direct toe: “De belangrijkste van Sluyters dicht-verzamelingen is hij niet, maar wel is hij de meest directe vervulling van ’s dichters ideaal. Dat ideaal was – ik heb het aan ’t begin van deze reeks gezegd – met eenvoudige verzen, die door ieder konden worden verstaan en makkelijk konden gezongen worden, de menschen te stichten en alzoo tegenwicht te verschaffen tegen de vele wereldsche en onbetekenende liedjes, die in omloop waren.” In de begeleidende woorden van Sluiter bij de bundel en de bedoeling ervan zag hij hem op “z’n karakteristiekst”: Dàt is Willem Sluyter, de volksdichter, de man, die zijn menschen wil doen zingen, altijd en overal, en hen, zingende, zichzelf en anderen wil doen stichten.”

In de tweede druk van Eibergsche Sang-Lust, die verscheen in 1680, prijkte voorin een schitterende Berkelprent.
In zijn slotartikel ging Tazelaar verder in op wat Sluiter de Eibergenaren wilde laten zingen: “In totaal bevat de bundel slechts 40 ‘zangen’. Ze hebben alle betrekking op de dagelijksche levenspractijk der geloovigen: ’t zijn morgengebeden en avondgebeden, liederen bij den kerkgang, bij het aangaan en aangezeten hebben aan het Heilig Avondmaal, bij stichtelijke bijeenkomsten, bij het gaan over den weg en het bezig zijn in den arbeid; enkele zijn er onder voor tijden van kruis en lijden en − want ook dat behoorde tot de levenszorg van die dagen – van krijgsnood. Voorts handelen ze over geestelijke dingen: over de bekeering, over Christus den toevlucht der geloovigen, over Jezus’ liefde, over ’t hemelsch Jeruzalem.”
Hier voegde hij nog aan toe: “Eindelijk zijn er een tweetal moralisaties voor de jeugd en het slot is een ‘afscheid aan alle ontuchtige liedekens’. Een inleidend lied ‘Ootmoedige kloekmoedigheid in ’s Heeren lof te singen’ zet het geheel in het kader van des dichters bedoelen.”
Vervolgens citeerde Tazelaar een aantal fragmenten uit de door hem verkozen bundel. In zijn slotregels sprak hij van een “tegenwoordig tamelijk wel vergeten Eibergschen volksdichter” en liet hij ook duidelijk blijken niet alles in Sluiters werk goed te vinden: “Zeker is er onder deze verzen veel, dat meer les-op-rijm dan poëzie is. Maar er is ook veel, dat als proeve van 17e eeuwsche stichtelijke kunst waard is, te blijven leven, en dat even zoo goed den mensch van dezen tijd als dien van Sluyters dagen verrijken kan.”
Rond 1830 waren Sluiters liederen een soort arbeidsvitaminen die het tempo van de huisindustrie in Eibergen bepaalden, zie ‘Huisindustrie op ritme van Eibergsche Sang-Lust’. Dat populaire gebruik keerde ondanks Tazelaars verhalen niet terug.
Arend J. Heideman Gelselaar, januari 2026
[1] Ook in dit artikel wordt de schrijfwijze gevolgd van biograaf C. Blokland, voor titels en voor de naam Willem Sluiter, terwijl beide in citaten anders weergegeven kunnen worden, bijvoorbeeld met y in de achternaam in plaats van i.
[2] Het was een flinke zoektocht om die tekst van maar liefst zes Sluiterarikelen onder ogen te krijgen. Het lukte met dank aan verre nazaat Peter Sluiter, met wie ik al jaren samenwerk, die me kopieën kon bezorgen uit de Universiteitsbibliotheek van de Vrije Universiteit Amsterdam.
[3] A. Sizoo: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1952-1953.