Lezing ds. Van Minnen in 1953 over Willem Sluiter als Herder en Leraar

Oude foto van portret dat Pieter van Anraadt schilderde van Willem Sluiter en ds. H. van Minnen, van 1949-1974 gereformeerd predikant in Eibergen.
Willem Sluiter als Herder en Leraar
Lezing op 11 oktober 1953 bij Sluiterherdenking, door ds. H. van Minnen, gereformeerd predikant te Eibergen
Z. G. Aw. (zeer geachte aanwezigen)
Met een klein beetje dichterlijke fantasie, (die vanavond niet uit de toon valt) en geruggesteund door een biograaf, meen ik te mogen zeggen: heden voor precies drie eeuwen - zelfde dag en ’t zelfde uur - loosde Ds. Willem Sluiter, hier vlakbij een zucht van verlichting. De arbeid van die dag, die Zondag, was volbracht. Tweemaal had hij het Woord bediend. Nu strekte hij zijn leden in het huis van zijn gastheer, in zijn gehuurde kamer, behaaglijk uit. Was hij dan misschien een gemakzuchtig mens? Neen, integendeel.
Zijn lijvige dichtbundels, die hij, ondanks de zorg voor zijn ambtsbezigheden, aan zijn geest en pen ontwrong in een betrekkelijk kort leven, kunnen ons wel iets anders leren.
Neen! Maar wat is ’t geval?
Na zijn intrede hier, op 24 Juli 1653 was gepasseerd de drukke tijd van de eerste kennismaking met zijn gemeentenaren; een nodige en ook wel nuttige en aangename taak, maar toch niet direct afgaande op zijn doel, naar zijn opdracht.
En zie, daar kon hij zich nu op bezinnen. Zijn opdracht, nl. wat hem te doen stond als Verbi Divini Minister, als bedienaar des Goddelijken Woords.
Want dat toch, dat heeft Sluiter van-meet-aan geweten, sinds het ogenblik, dat hij door zijn neef, Ds. Olmius van Lochem in zijn ambt werd bevestigd, op de reeds genoemde datum, met een predikatie over Ezechiël 3:17: “Mensenkind. Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israëls; zo zult gij het Woord uit mijn mond horen en hen van mijnentwegen waarschuwen.”
Die opdracht wist hij van zijn Here zijn God meegekregen te hebben voor hier. En hoe kon hij zich het beste van zijn taak kwijten, daar heeft hij zich op deze avond voor driehonderd jaren, (nadat hij uit de kerk, via de consistorie, naar zijn kosthuis was getrokken) mee bezig gehouden.
Ik acht het niet uitgesloten, dat toen reeds het plan bij hem rijpte zijn volk (waarvoor hij nu hier verantwoordelijk was voor God) door het lied te leiden op de enige goede weg.
Immers, hoe was destijds de situatie? Zonder daar nu uitvoerig op in te gaan, kunnen we wel zeggen, dat de kerk óók toen in die oude tijden al had te strijden tegen de doodsvijanden, de duivel, de wereld en het eigen vlees. En…. Dat dit óók toen al niet altijd met alle liefde en ijver werd gedaan. Dit werd mede in de hand gewerkt door onwetendheid, als gevolg van het natuurlijk nog veel voorkomende analfabetisme; doordat velen niet lezen of schrijven konden. Uit de oude notulenboeken van de kerk blijkt dat het peil van geloof en leven niet steeds op een hoog plan stond. Als de tijd het toeliet zouden daar ettelijke voorbeelden van kunnen worden aangehaald. Het bijgeloof tierde nog en het zedelijk leven was soms niet bepaald sierlijk.
Welnu, tegen deze dingen (waarvan vooral het laatste bevorderd werd door allerlei onstichtelijke liederen; verzameld zoals Sluiter zelf zegt in bundeltjes als Minneboekjes, Lusthoven, Zangpriëeltjes, Nachtegaaltjes enz.) – tegen deze dingen stelt nu de herder en leraar Sluiter zijn lied.
Zijn lied waarin hij voortdurend zingt van de enige Heiland Jezus; wáárvan hij ons verloste, en waartoe dit nu moet leiden.
Zo heeft hij zich beijverd door zingen zijn gemeente te leren wat strekt tot eer van de Here en tot heil van de wereld. En o, wat is ’t hem een vreugde, als hij mag merken, hoe allengs veel onstichtelijks verdrongen wordt door iets anders.
Zelf geeft hij verantwoording van zijn dichterlijke bezigheid op de volgende wijze:
“Het gezang heeft uitnemende nuttigheden boven de gemene reden; gelijk blijkt in verschillende stukken; want:
- Het geeft de gelovige en godzaliger gemoederen een wonderbare zoetigheid in de vermaek, enz.
- Leren kan wat op maat en rijm gebracht is, zonder de minste syllabe daaruit te laten, beter nadenken en vast in de memorie krijgen.
- Het dient, in de gemeenschap der heiligen zeer tot onderlinge stichting.
- De muzikale gezangen, hier op aarde door een geestelijke vreugde tot God gezongen, zijn de aldernaaste en gevoeligste afbeeldingen der toekomende vreugde en heerlijkheid in de hemel.”
Bekend is (geloof ik) wel het verhaal van die boer, die, hoe rap hij zijn koren ook maaide, toch prompt werd bijgehouden door zijn kleine knecht. Deze wilde zijn baas niet uit het gehoor verliezen, omdat hij, onder het werk door, de zangen van Sluiter zo mooi reciteerde.
Dat was naar het hart van deze vriend des volks; die dit wil voeren naar de hemelse Koning. En die zich afvraagt: zou – tegenover zoveel ijdele en lege en lage liederen - Zou een Christen zich bedwingen dat hij God niet zing uit met kracht?
Hij maant tot dit zingen aan en wekt er toe op “als ge op weg zijt en als ge in Uw huis zijt”. Opdat vervuld wordt het Woord van de apostel Paulus, waar hij aanmaant om malkanderen te leren ende te vermanen ende onder malkanderen te spreken met Psalmen en Lofzangen en Geestelijke liederen (Col. 3:16).
Nu, wat Sluiter zo ijverig heeft nagejaagd dat werd hem gegeven. Nog eeuwen na zijn heengaan zong men zijn liederen. Meldt een officiële bron dat dit nog plaats vond in 1795 – ouderen onder ons weten van hun vader en moeder, dat het nog tot zeker in het midden van de vorige eeuw plaatsvond.
Ja, ik meen, dat er in ons midden een broeder zit van elders, die in dagen van ziekte, nog niet zo heel lang geleden, naast de bijbel, veel troost putte uit wat hij terecht de bijbeldichter Sluiter noemt. Bijbeldichter – dat is hij bij uitnemendheid geweest. De marge, de rand van de bladen van zijn boeken zijn zogezegd volgepropt met Bijbelplaatsen, met teksten die hij in zijn stof verwerkt.
En niet door hem – ja, èn natuurlijk door zijn opvolgers; maar vooral óók door hem is de uitdrukking ontstaan, die ik onlangs hoorde, en die me een beetje met trots- of neen: met dankbaarheid vervulde, nl. ‘’Eibergs fijn’’. Ik hoop, dat die nog mag gelden en dat ze ’t nog lang mag doen. En dat deze avond ertoe mag dienen dat dit bevorderd wordt; dat wij niet als graven der profeten bouwen, maar volgen hunne leer ten leven en tot lof van God.
We hebben er iets van gezien. ’t Was niet teveel gezegd, wat Sluiters collega en vriend Van Vollenhove dichtte op deze dominee:
Van de liefde van en tot de Heiland – daar zijn liederen van vol:
Verder:
Neen, hij is geen man alléén van smeltend hemelverlangen, die de aarde vergeet!
Daar is de man, in de school van zijn Utrechtse leermeester, Voetius, gevormd, de strenge puritein, die ’t met zijn volk zo goed voor had, en ook goed zag. Van den Here te wezen dat vraagt een leven Hem gewijd.
Wat lag er achter die strenge blik en warm hart verborgen. Die strijdbare held, altijd in de weer voor de eer van de Heer en voor des volks behoud. Dat heeft zijn sporen nagelaten in Sluiters gevoelige ziel. Als ook echter de misschien al te piëtistische Jodocus van Lodenstein.
Sluiter is geen vechter, geen strever; een strijder in alle eenvoudigheid, maar ook trouw, voor zijn volk.
Hoezeer het hem ook smart – als het moet, dan weert hij iemand van die ‘blijde disgenootschap’, van het H. Avondmaal. Opdat zo iemand de naam van Christus niet ontheiligd, maar … door in berouw reiniging te zoeken in zijn bloed, wordt geheiligd en waardig gevonden den Heer.
En Sluiter – hij zong, onder blijdschap en verdriet door. In Eibergen werd het hem, man van naam, allengs in dit slijkgat niet te eng?
Neen! De woorden van Lodenstein, die konden zijn eigen worden zijn,
Wat heeft hij zich zo diep ingedacht en diep doorleefd het werk van zijn Heiland:
Doornenpaden? Natuurlijk heeft hij die, als getrouw profeet ook gekend en hebben ze zijn gevoelige dichters ziel zeer gedaan.
Maar zó gaat hij dóór met oproepen tot de ware heiliging van de sabbat, met het afmanen van bijvoorbeeld van dans en drank; met het striemen van achterklap en andere zonden; grote en ook kleine ongerechtigheid. Hoe fijn merkt hij ten opzichte daarvan op:
Zo worstelt hij om eerlijk te kunnen bidden gelijk hij dat ergens doet:
Een trouwe leraar is alzo Sluiters streven. Servus Jesu Christi; slaaf van Jezus, zijn Koning voor Wien hij opkomt.
Maar eveneens een toegewijd herder. Hoe ijverig bemoeit hij zich, om zijn gemeente te leiden naar de Opper-Herder.
Hij zoekt zijn schapen op, niet alleen in het dorp, maar eveneens in de buurtschappen. Hij dringt ze, én …. Zingt ze naar de kooi, naar de kerk; om ze in de grote schaapskooi maar te krijgen.
Bepaald ontroerend in zijn ‘Doodsechtscheidinge’ waarin hij klaagt over de vroege dood van zijn jonge echtgenote:
Maar hij blijft hier niet bij staan, als om te etaleren. Hij wil ook hierdoor zijn gemeente winst laten doen:
Hij laat haar zeggen, ten dienste van zijn doel:
En verder:
Hij vertelt van haar begeerte om op de rustdag, het huis des Heren in te gaan; haar vreugde in de dienst des Woords en aan het Avondmaal. Zo mag zij getuigen:
Dat is geen pose, maar onderwijs.
Ook in zijn ballingschap gedenkt hij in vele brieven zijn gemeente.
En voor alle gelegenheden, in smart en vreugde heeft hij voor haar een woord, een opwekking, een vermaning en bemoediging. En ’t Is altijd; hij wil, haar als een reine Bruid, door Christus’ bloed leiden naar de Heer.
Ik denk alleen nog – want ik moet eindigen- aan het begin van zijn Nachtwake:
Willem Sluiter, Herder en Leraar. Ons slot moge zijn een onderschrift van R. Schutte onder een portret van hem:
Ontcijferd: Thea van Minnen en Cees Breunese
Hoogeveen, februari 2026