Foto beschikbaar van Sluiterhandschrift in Enschede

op .

Schermopname 1385Het in Enschede bewaarde handschrift van Willem Sluiter is opgeborgen in een bedrukt mapje, dat oogt als een boek.

De collectie handschriften van Willem Sluiter is uitgebreid met een foto van het exemplaar uit 1669, dat wordt bewaard in de kluis van de bibliotheek van de Oudheidkamer Twente in Enschede. De naar deze dichter genoemde stichting ontving in 2025 zelf twee originele handschriften, wat de interesse hiervoor aanwakkerde. Hier omheen is voor eind dit jaar ook een expositie gepland in de Joriskerk in Borculo, waarbij de nieuwe foto goed past.

Hoewel het geen nieuwe ontdekking betreft, is het beeldmateriaal van het Enschedese archiefstuk waardevol, net als de schaarse achtergrondinformatie. Het is een vondst van Sluiterbibliograaf Georg Hartong (1945-2024). Hij vermeldde dit onbekende gedicht van Sluiter in 1981 in zijn aanvullingen op het proefschrift van C. Blokland uit 1965 over Willem Sluiter. Zie het artikel Sluiterbibliograaf Hartong vond ook onbekende gedichten op deze site, waaraan ook de vertaling bij dit artikel is ontleend.

Het gedicht van 3 april 1669 vergezelde een exemplaar van Sluiters liederen en dat kan haast niet anders zijn geweest dan een bundel van zijn Psalmen, Lof-Sangen ende Geestelike Liedekens uit 1661. Een volgende bundel met liederen van Sluiter, Eibergsche Sang-Lust, verscheen pas in 1670.

Achternaam geadresseerde ontbreekt

Het licht beschadigde papier met Sluiters dichtregels en handtekening lijkt inderdaad afkomstig te zijn uit een liedbundel. Daar duidt het iets lichtere strookje links op. Helaas ontbreekt door een beschadiging de achternaam van de geadresseerde. Zijn voornaam luidt Godschalk. Van de achternaam zijn alleen de drie laatste letters te lezen: ink. Deze uitgang wijst op een naam uit Oost-Nederland.

Hartong ontcijferde het gedicht voor een uitgebreid artikel over Willem Sluiter in het documentatieblad Nadere Reformatie (5e jaargang, nr. 2 — 1981). Hij schreef erbij dat het tot dan onbekend. Een verdere toelichting gaf hij er niet op. Zijn vertaling is hieronder compleet overgenomen.

Schermopname 3391 1

Het is niet meer dan een gelegenheidsgedicht, met regels op rijm en een kenmerkend pleidooi voor het zingen van Psalmen en gezangen tot Gods lof. Raadselachtiger zijn de aan de jongeman gerichte regels: “Als gij soo van ’t een als ’t ander/ Uit Godts woort fraei spreken kont.” Zou het hier gaan om een jonge predikant, of iemand in opleiding? Of iemand die in Sluiters kerk belijdenis aflegde van zijn geloof? Dan is mogelijk nog te achterhalen om wie het ging.

Puzzelstukjes bij achternaam boven gedicht

Hoewel verder onderzoek naar de herkomst van het handschrift en de achternaam van de geadresseerde moeilijk is, leert informatie van Rob Stokkers (redactielid Old Nee, tijdschrift van de Historische Kring Neede), dat toch puzzelstukjes te vinden zijn. Hij zocht naar mogelijke kandidaten in de Doop-, Trouw- en Begraafboeken van Gelderland en het Oud Rechterlijk Archief Borculo en noemde onder anderen de op 12 december 1655 door Willem Sluiter in Eibergen in het huwelijk verbonden Godschalck Schuerinck, zoon van Henrick Schuerinck uit Hupsel. Hij trouwde met Geertjen Lutken-Kormelinck, dochter van Engbert Lutken-Kormelink uit Eibergen. Eventuele banden van kandidaten hiervoor met nazaten of verwanten van Sluiter in Neede zouden zo naar een spoor kunnen wijzen. Maar wie weet, zijn er meer kandidaten. Afbeelding1

Foto van portret Willem aan binnenzijde van harde kaft en links het in plastic verpakte handschrift uit 1669.

Hoe kwam het in Enschede?

De herkomst van het door Sluiter beschreven papier is helaas ook onbekend. Kleine vingerwijzingen zijn er wel. Aan de binnenzijde van het mapje met een hard kaft is een foto in zwartwit geplakt van het portret dat Pieter van Anraadt schilderde. De Enschede fabrikant Harry ter Kuile kocht dit portret en dat van Sluiters zus Maria in 1916 via een veiling in het sterfhuis van G.E. ten Bokkel Huinink in Neede. In een noot in het proefschrift van Blokland over Sluiter is nog vermeld dat beide schilderijen in 1935 te zien zijn geweest op een tentoonstelling van schilderijen uit particulier bezit uit Twente. De van beide doeken genoteerde afmetingen (73 x 59,5 cm), staan ook in het onderschrift bij de foto. De rest van de tekst lijkt ook ontleend aan expositiegegevens.

Zo wijst het spoor van het handschrift naar de omgeving van de nieuwe eigenaar van het Sluiterportret. Heeft die het wellicht bij de veiling ontvangen? Op grond hiervan is het ook niet vreemd, dat het later verhuisde naar de Oudheidkamer Twente (in catalogus opgenomen met Signatuur G3 S67 g), die 1905 werd opgericht door Twentse fabrikantenfamilies. Maar hoe het handschrift opdook in deze kring, is waarschijnlijk niet snel te achterhalen (zie ook bericht onder dit artikel).

Al met al past het handschrift naadloos in de andere handgeschreven teksten van Sluiter, waaronder ook de grafologisch interessante versiering onder zijn ondertekening, die hij wel vaker aanbracht.

Arend J. Heideman                                                         Gelselaar, juni 2026.