Sluiters werk dringt met lof door in de muziekwetenschap

Voorkant proefschrift van Kees Vlaardingerbroek en titelpagina van de eerste editie van het eerste deel Stichtelijke Gezangen van Rutger Schutte.
Het werk van dichter Willem Sluiter is na enkele eeuwen doorgedrongen in de muziekwetenschap. Zijn betekenis krijgt op lovende wijze ruim aandacht in het proefschrift De Stichtelijke Gezangen van Rutger Schutte[1] van Kees Vlaardingerbroek, die hierop in juni 2026 promoveerde aan de Theologische Universiteit Apeldoorn. Waardering biedt zijn onderzoek indirect eveneens voor de publicaties van Gert Oosterom, de kenner van Sluiters liederen en de muziek hierbij.
Musicoloog Kees Vlaardingerbroek vertrok in 2023 als veelgeprezen artistiek leider van de Zaterdagmatinee op NPO Klassiek (vroeger: Radio 4) vanuit het Amsterdamse Concertgebouw, en verdiepte zich daarna in het werk van de van de 18e eeuwse Amsterdamse dichter-predikant Rutger Schutte (1708-1784). Hij onderzocht Schutte’s bewering dat hij als eerste dichter geestelijke liederen combineert met in zijn tijd moderne melodieën van tijdgenoten uit binnen- en buitenland. Daarin verschilde hij van Sluiter, die voor zijn gezangen de bekendste geestelijke liederen of Geneefse psalmmelodieën gebruikte of nieuwe aansprekende melodieën liet schrijven, omdat hij geen aanstoot wilde geven met bekende, soms onbetamelijke wereldse melodieën.
Hoewel het hoofdonderwerp van de dissertatie zich niet leent voor een uitvoerige bespreking hier, zijn er voldoende redenen er toch aandacht aan te schenken. De belangrijkste: de naam van Sluiter komt er maar liefst 72 in voor en in bijna alle gevallen betreft dat dichter Willem Sluiter, één keer zijn zoon Johannes en een paar keer kleinzoon Willem.

Musicoloog Kees Vlaardingerbroek. Rechts: Willem Sluiter geportretteerd door Barent de Bakker, met een kort lofdicht van Rutger Schutte. (Collectie Rijksmuseum Amsterdam)
Passend kwatrijn bij Sluiterprent
Overigens is over Schutte op dit informatiepunt eerder gepubliceerd, onder de titel Passend kwatrijn van Rutger Schutte bij Sluiterprent. Hij was een zwager van Willem Sluiter junior, kleinzoon van de dichter. Op 25-jarige leeftijd debuteerde Schutte als dichter met zeven geestelijke gedichten in de Schakel van gezangen (1733), een bloemlezing van geestelijke liederen, verzorgd door Willem Sluiter junior, die een halve eeuw predikant was in Rouveen. De twee mannen werden verbonden door hun gemeenschappelijke liefde voor de geschriften en gezangen van Willem Sluiter sr. Naadloos sluit Schutte ook op Sluiter aan met de opvatting dat de “Heilige Dicht- en Zangkunde […] eene bezigheid [is] welke het naaste aan die van den Hemel verwant is”.
Vlaardingerbroek volstaat in het proefschrift met een korte biografische schets van Schutte. Vanuit zijn eigen musicologische achtergrond legt hij bij de Stichtelijke Gezangen het accent op de behandeling van de in de Zangwijzen gedrukte muziek, in de hoop hiermee waardevolle bouwstenen te leveren voor de nog te schrijven geschiedenis van het Nederlandse lied in de achttiende eeuw.
De vier bundels Stichtelijke Gezangen van Schutte, gepubliceerd in respectievelijk 1762, 1764, 1765 en postuum in 1787, bevatten in totaal 173 gezangen. Zij gingen vergezeld van evenzovele bundels Zangwijzen van Stichtelijke Gezangen, met in totaal 145 zettingen voor zangstem en basso continuo. Een continuolied is een lied
waarvan alleen de vocale partij en de instrumentale baspartij volledig zijn uitgeschreven. De instrumentale baspartij is meestal voorzien van cijfers ("becijferde bas") die aangeven welke akkoordnoten in de rechterhand (klavecimbel, orgel etc.) moeten worden toegevoegd.
Als liefhebber van meerstemmige nieuwe muziek in de eigentijdse Italiaanse stijl, wilde Schutte met name jonge gelovige muziekliefhebbers een passend alternatief bieden voor liederen en aria’s met wereldlijke Frans- en Italiaanstalige teksten van een in moreel opzicht vaak twijfelachtig niveau.
Geen probleem met wereldlijke melodieën
Schutte had er in tegenstelling tot Sluiter geen enkel bezwaar tegen wereldlijke melodieën te gebruiken als basis voor zijn geestelijke gezangen. Hij staat hiermee in een oude traditie. Vlaardingerbroek verwijst hierbij naar de orthodox-gereformeerde predikant-dichter Bernardus Busschoff (1593-1639). Die verdedigde in de Noodige Waerschouwinge die hij opnam in zijn Nieuwe Lof-Sangen en Geestelijcke Liedekens de stelling dat het God niet uitmaakt wat de herkomst van de melodie is, als de zanger(es) de geestelijke tekst maar met de verschuldigde eerbied zingt.
Sluiter uitte zich hierover dus anders. Aan de hand van een publicatie op informatiepunt www.willemsluiter.nl tekent Vlaardingerbroek bij het tegenovergestelde standpunt van Sluiter aan, dat Gert Oosterom inmiddels heeft aangetoond dat Sluiter enkele malen toch stilzwijgend gebruik maakt van wereldlijke melodieën. “In dat geval verbergt hij de dansnaam waaronder de melodie oorspronkelijk bekend was of verwijst hij naar de titel van een bestaand geestelijk lied, dat op een wereldlijke melodie was gedicht.”
(Illustratie linksondser: De titelpagina van de Zangwijzen bij het tweede deel van de Stichtelijke Gezangen van Rutger Schutte.)

Bij het verschil en de overeenkomst tussen beide dichtende dominees kan nog iets worden genoemd.
Sluiter, weten we van biograaf Cornelis Blokland, heeft zijn liederen niet voor de kerkdienst geschreven. Zijn belangrijkste drijfveer bij het dichten was het weren van lichtvaardige en ontuchtige liederen. In kerken werden destijds alleen Psalmen gezongen en klinkt nu zelden meer een lied van hem. Vlaardingerbroek signaleert dat van Schutte tegenwoordig geen gezang nog wordt gezongen binnen de protestantse eredienst. Schutte blijkt een eeuw na Sluiter wel aan het zingen van gezangen in de kerk te hebben gedacht. Hij uitte ferme kri
tiek op het feit dat de Gereformeerde Kerk in zijn tijd naast de psalmen slechts een handjevol gezangen voor liturgisch gebruik toestond. Na zijn dood trof hem echter met zijn werk hetzelfde lot als Sluiter. Van Rutger Schutte werden net als bij Sluiter slechts twee liederen, opgenomen in de bundel Evangelische Gezangen van 1807, die in totaal 192 liederen bevat. Bovendien betreft het in beide gevallen ingrijpende bewerkingen van de originele gedichten van Schutte, gelijk ook bij het werk van Sluiter. Uit latere bundels verdwenen van beiden ook hun bewerkte liederen.
Sluiters zorg en liefde voor muzikale aspect
Voordat Vlaardingerbroek meer vertelt over het continuolied in Nederland vanaf circa 1680, acht hij één enkele sprong verder terug in de tijd noodzakelijk, naar de Psalmen, lof-sangen, ende geestelike liedekens, op lees- ende sangh-mate gerijmt van Sluiters liedbundel die in Deventer in 1661 bij Jan Colomp verscheen. Daar zijn volgens hem verscheidene redenen voor. In de eerste plaats Schuttes bewondering voor Willem Sluiter en zijn literaire samenwerking met diens gelijknamige kleinzoon. Bovendien bezat Schutte een uitgave van deze bundel. “Het is in ieder geval vrijwel zeker dat het Schutte is opgevallen hoeveel zorg en liefde Sluiter aan het muzikale aspect van zijn gezangen heeft besteed”, stelt Vlaardingerbroek. Met een aparte paragraaf in het proefschrift gaat hij hier beknopt op in.
Hierin wordt beschreven hoe Sluiter zijn eerste liedbundel in muzikaal opzicht aantrekkelijk maakte voor een zo groot mogelijke doelgroep. Door iets meer dan de helft van de gezangen – 50 van de 97 – op “gantsch nieuwe, van verscheiden Meesters gemaekte Sangh-gheluyden, met Bas ende Discant” te zetten. Sluiter sprak van “seer goede Musicijns ende Componisten”, helaas zonder hun namen te noemen. Niet alle continuoliederen in de zijn bundel nieuw.
Bij Sluiters eerste bundel stipt Vlaardingerbroek terloops een nieuw punt aan. Nadat hij erop heeft gewezen dat Sluiter met zijn gezangen alle rangen en standen wilde bereiken, inclusief de meest eenvoudige gelovigen die niet konden lezen en schrijven, presenteert hij zijn gedachte over het opdragen door hem van zijn bundel aan Elisabeth Charlotte van Dohna-Carwinden, de echtgenote van graaf Otto van Limburg Stirum (1620-1679). Hij suggereert dat literaire criticasters wel zouden oppassen zomaar te hekelen wat de “Genadige Vrouwe” had goedgekeurd.
In het kader van zijn onderzoek was het niet mogelijk enkele belangrijke vragen te beantwoorden, die volgens hem schreeuwen om nader onderzoek, zoals: Welke meerstemmige zettingen zijn speciaal voor deze bundel gemaakt, en door welke componisten? Welke bestaande meerstemmige liederen heeft Sluiter voor zijn liederen hergebruikt?
Er is volgens het proefschrift nauwelijks literatuur te vinden waarin op deze vragen wordt ingegaan. In zijn moderne heruitgave van de Psalmen, lof-sangen ende geestelike liedekens geeft Gert Oosterom per lied een commentaar waarin hij ook de muzikale achtergronden – voor zover bekend – bespreekt. Hij vermoedt dat van de 50 continuoliederen meer dan 40 speciaal voor Sluiters gezangenbundel zijn gecomponeerd. Die schatting is volgens Vlaardingerbroek mogelijk wat aan de hoge kant, omdat Sluiter immers zelf opmerkt voor een aantal liederen bestaande muziek van vermaarde Duitse, Franse en Nederlandse meesters te hebben hergebruikt.
Interessante hypothese over composities Deventer organist
Interessant noemt hij in een noot de hypothese van Oosterom, dat de Deventer organist en klokkenist Lucas van Lenninck tot de componisten van de nieuwe muziek in de Psalmen, lof-sangen, ende geestelike liedekens behoort. Vlaardingerbroek wijst hierbij terecht op de grote rol die Deventer speelde in het leven van Sluiter, hij studeerde er in de periode 1647-1649, maar gaat er in zijn toelichting aan voorbij dat Sluiters genoemde eerste bundel hier al in 1661 verscheen en somt ook punten van hierna op.
Voor vervolgonderzoek is echter belangrijker wat hij vermeldt over Van Lenninck – mogelijk een leerling van Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621) – die als componist van bovenregionale betekenis is. Van Lenninck kwam van de Zeeuwse stad Goes en bleef tot 1625 in Hoorn. In 1625 werd hij de opvolger van Claude Bernardt (?-1625), de in dat jaar aan de pest overleden organist van de Deventer Lebuïnuskerk. Van Lenninck bleef hier tot 1667 werkzaam. De vermaarde Utrechtse beiaardier, fluitist en componist Jacob van Eyck (1589/90-1657) en Van Lenninck kenden elkaar. In het bewaard gebleven album amicorum van het in 1623 opgerichte Deventer collegium musicum staan drie vier-, zes- en achtstemmige canons op Latijnse teksten van de hand van Van Lenninck, die muzikaal leiding gaf aan het stadsmuziekcollege.

De vorm van de melodie kan de tekst illustreren, merkt Vlaardingerbroek op. Dit is bijvoorbeeld het geval in Gezang 32 (De Leeuwerik) van Rutger Schutte, waar de vlucht omhoog van het vogeltje wordt vertaald in een opgaande melodische beweging. Hij voegt hieraan toe dat dit gezang ongetwijfeld is bedoeld als een ode aan het lied Op het zingen van den Leeuw’rik, een van de 43 gezangen die aan de derde uitgave van Buyten- Eensaem Huys-, Somer- en Winterleven (1687) van Willem Sluiter werden toegevoegd.
Vlaardingerbroek: “Wat hier vooral van belang is, is het feit dat Sluiter zich zoveel moeite heeft getroost om 50 van zijn liederen van al dan niet nieuwe meerstemmige muziek te (laten) voorzien. Hij had immers kunnen volstaan met het opgeven van de titels of de beginregels van bekende geestelijke melodieën, zoals hij in het geval van de overige 47 liederen deed. Sterker nog: het lijkt logisch eenvoudige teksten zonder literaire pretenties van eenvoudige muziek zonder muzikale pretenties te voorzien.”
Hij vermoedt dat het genoemde streven van Sluiter, alle rangen en standen – dus ook de hoogste kringen – te bereiken hierin van doorslaggevende betekenis geweest. Het is volgens goed voorstelbaar dat de gravin het ene moment een liedtekst met haar dienstmaagden op een bestaande melodie heeft gezongen en even later dezelfde tekst in privékringen als meerstemmige kunstmuziek. “Het lijkt er overigens op”, aldus Vlaardingerbroek, “dat de doelgroep voor de meerstemmige zettingen relatief gering was, of dat de investering voor het afdrukken van de muziek in de ogen van de meeste latere drukkers te begrotelijk was, want op één enkele uitzondering na verschenen alle latere edities van de Psalmen, lof-sangen, ende geestelike liedekens zonder muziekdruk. Wat de 50 continuoliederen betreft: die zijn muzikaal gezien doorgaans van goede kwaliteit en zouden het verdienen weer te worden uitgevoerd.”
Er schijnt, voegt hij eraan toe, slechts een van de continuoliederen van Sluiter op cd te zijn verschenen: het gezang Geestelike blydschap der geloovigen is door Camerata Trajectina opgenomen op hun cd Calvijn in de Gouden Eeuw (Globe GLO 6064).
Op grond van het onderzoek van Vlaardingerbroek is het niet vreemd dat hij Schutte en Sluiter zo vaak samen noemt. Hij vertelt dat Schutte onderstreepte, dat men niet slechts met de keel, maar ook met het hart moet zingen: “Die met zijn hart niet zingt, zingt niet wel, al zingt hij met zijn stem nog zoo fraai”. Deze gedachte is volgens hem allesbehalve nieuw: Willem Sluiter had ditzelfde punt al meer dan een eeuw eerder grondig uitgewerkt in zijn Noodige onderwijsinge en vermaninge aen den Christeliken Sanger ende Leser, het woord vooraf bij de Psalmen, lof-sangen, ende geestelike liedekens.
Graag meer onderzoek en opnieuw uitvoering werk
Ter afronding twee conclusies. De interesse van een grootheid op muziekgebied als Vlaardingerbroek voor de muzikale aspecten van Sluiter kunnen anderen stimuleren. Het zou mooi zijn als zo verder onderzoek wordt verricht, bijvoorbeeld naar wie de composities schreef voor Sluiter. Zijn pleidooi meer van zijn werk opnieuw uit te voeren, klinkt bij vier eeuwen Sluiter uiteraard ook als muziek in de oren. Grote winst van het proefschrift is dat hiermee ook het belangrijke (voor)werk van Oosterom erkenning krijgt en de waardering die het verdient.
Arend J. Heideman Gelselaar, augustus 2026
[1] De dissertatie De Stichtelijke Gezangen van Rutger Schutte is op de website van de Theologische Universiteit Apeldoorn online gratis te lezen (zie https://theoluniv.ub.rug.nl/835/). Een gedrukt exemplaar is rechtstreeks bij de auteur te bestellen, via een email naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken., onder vermelding van je naam en adres. Voor € 45 (inclusief verzendkosten) wordt het toegezonden.