Sluiter schreef van meet af voor boeren

Prent, die Sluiter zou kunnen voorstellen, uit de in 1717 bij Jacob van Royen in Amsterdam verschenen Sluiterbundel.
Oordeel letterkundigen over het werk van de dichter
Willem Sluiter heeft naast herwaardering[1] ook prachtige typeringen te danken aan taal- en letterkundige dr. Klaas Heeroma, ook bekend als dichter Muus Jacobse. “Cats schreef voor burgers, Sluyter[2] van meet af voor boeren”, kenschetste hij hen in zijn boek uit 1950 met een overzicht van protestantse poëzie van de 16e en 17e eeuw[3]. Via internet kocht ik het voor dit artikel. Langs digitale weg zijn ook oudere letterkundige overzichten te raadplegen, met minder lof.
Heeroma, de eerste hoogleraar Nedersaksische taal- en letterkunde en ook psalmberijmer, noemt Sluiter in zijn inleiding van zijn ”niet-literairhistorische” bloemlezing een dorpsdominee en een “kleine, vervangbare figurant”. Desondanks citeert hij Sluiter, als eerste van twaalf door hem geselecteerde dichters, met een paar regels uit zijn Grafschrift, waarin hij “in alle kunsteloze eenvoud zijn jonge vrouw herdenkt”.
Verhelderend is een andere opmerking van Heeroma over Sluiter, iets verderop. Hij verdedigt dat hij 99 van de 248 pagina’s in zijn boek vult met gedichten van Jan Luiken, bijna net zoveel als van de andere elf dichters samen, waaronder maar elf van Sluiter, “omdat hij [Luiken] het grote dichterschap, dat hem naast Huygens stelt, verenigt met een argeloosheid die het naast Sluyter uithoudt”.
Heeroma herkauwde geen bevindingen van letterkundigen voor hem, maar woog zelf in een beknopte inleiding over het ‘natuurlijk’ volkslied en ‘cultuurlijk’ leesgedicht het werk van de dichters van een paar eeuwen geleden en werd geraakt door Sluiter.
Ter vergelijking hier eerst wat eerdere commentaren van andere literaire wetenschappers.
Zoetvloeiend volksdichter
Willem Sluiter was twee eeuwen geleden door de uitgave van een groot aantal godsdienstige en zedelijke gezangen “met lof bekend”, is te lezen in een boek met de beknopte geschiedenis van de Nederlandse letterkunde[4] van de protestantse theoloog en neerlandicus Matthijs Siegenbeek (1774-1854). Hij “verwierf zich, niet ten onregte, den naam van een behagelijk en zoetvloeiend volksdichter”, aldus Siegenbeek.
Bijna een eeuw later gaf de doopsgezind opgegroeide Leidse hoogleraar G. Kalff[5] een zuiniger oordeel in een vergelijkbaar boek: “Hoeveel goeds deze gezangen ook uitgewerkt mogen hebben, erkend dient dat hun maatschappelijk waarde groter was dan de poëtische.” Iets verderop is bij hem te lezen dat Sluiter “de rij van dorpspredikanten met literaire neigingen opent: een genre dichters dat zich lang zal handhaven”. Geliefd kennelijk bij het volk, maar niet bij mensen, die het voor het zeggen hadden in de literaire wereld.
De Amsterdamse hoogleraar[6] Jan te Winkel (1847-1927), domineeszoon, literatuurhistoricus en taalgeleerde aan de Gemeentelijke Universiteit, constateerde begin vorige eeuw in zijn boek over letterkundige ontwikkelingen in ons land[7] dat bij Sluiter sprake was van “gemakkelijk vloeiende rijmsels”. Populariteit genoot Sluiter in zijn ogen “slechts in den achterhoek van het land”.

Voorkant en titel van het boek van dr. K. Heeroma ui 1950.
Heeroma: “Piëtisme van nature”
Sluiter, in 1627 in Neede ter wereld gekomen en later dominee in Eibergen, was in de ogen van Heeroma sterk gebonden aan de natuur en de gemeenschapsvormen van het land waar hij geboren en getogen was: “Zijn piëtisme is niet programmatisch, maar bijna van nature gegeven.”
Sluiter kon, schreef hij, net als Cats de natuur in vrome overpeinzingen gadeslaan om er zijn exempelen en symbolen aan te ontlenen. “Hij richt zich bij zijn onderwijzing ook tot het volk, al is het dan omdat zijn horizon nu eenmaal regionaal beperkt was, speciaal het boerenvolk van de Achterhoek. Hij dicht liederen, omdat dat voor een eenvoudig man die zich verre houdt van een opzettelijke scholing in de literaire modevormen van de dag, het meest voor de hand ligt, maar ook omdat hij het volk geestelijk wil verbeteren door hun zang te verbeteren.”
Literaire effecten waren Sluiter volgens Heeroma vreemd. Aansluitend en afrondend schreef hij: “Daarom blijven zijn gedichten vrijwel zonder enige toelichting toegankelijk. Hij is in talent misschien wel de kleinste van alle dichters die hier behandeld worden, maar door zijn volkomen gemis aan iedere pose en pretentie kan hij ons toch nog ontroeren als een van de zuiversten.”
Een paar jaar later, in 1953, hield Heeroma in Eibergen zijn herdenkingsrede over Sluiter, met de herwaardering voor deze dichter, aan de hand van het leeuwerikslied. Dat noemt Sluiterbiograaf C. Blokland, in zijn proefschrift uit 1965, een voortreffelijke karakteristiek van Sluiters persoon en werk. Het voorspel hierop was al te beluisteren in Heeroma’s bloemlezing van 1950.
Heeroma’s herwaardering van Sluiter klonk in 1971 niet door in het handboek van de katholieke literatuurhistoricus en publicist G.P.M. Knuvelder[8]. Hij signaleerde dat vooral na de Tweede Wereldoorlog nogal aandacht werd geschonken aan Sluiter, die hij klein hield met de omschrijving “dominee-dichter van Eibergen” en waarover hij meldde: “Deze aandacht heeft er niet toe geleid hem een meer dan bescheiden plaats in onze literatuur toe te kennen: men blijft de gereformeerd-piëtistische Sluiter zien als een dichter van enkele fraaie liederen en een groter aantal middelmatige.”
Heeroma is in 1972 overleden. Zijn ontroering blijft voelbaar.
Arend J. Heideman Gelselaar, januari 2025
[1] Herwaardering van Heeroma bij herdenking in 1953. Dit artikel op het informatiepunt over Willem Sluiter is te raadplegen door te klikken op deze titel.
[2] In navolging van C. Bloklands proefschrift Willem Sluiter 1627-1673 uit 1965 wordt zijn naam nu meestal met een i geschreven.
[3] Dr. K. Heeroma: Protestantse poëzie der 16de en 17de eeuw, deel II, Amsterdam, 1950.
[4] Matthijs Siegenbeek: Beknopte geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Haarlem, 1826.
[5] G. Kalff: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, vierde deel, Groningen, 1909.
[6] En rector magnificus, evenals een paar jaar eerder Carel Philip Sluiter, directe nakomeling van de dichter.
[7] Dr. J. te Winkel: De ontwikkelingsgang der Nederlandsche Letterkunde, tweede deel, Haarlem, 1908.
[8] G.P.M. Knuvelder: Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde, deel 2, Den Bosch, 1971.