Bespinnekopt en fraai bestoven - Komische Willem Sluiter
Mijn tafeltje niet al te netjes, Stond in mijn keuken al gespreidt, Met drie besmokkelde servetjes, Op steenen bordekens geleid. De klok sloeg twaalf, de spijs moest daadlijk Zijn aangeregt. — Ik zag geen kans, Hoe ‘k ’t maken zou een weinig staatlijk, Wij moesten aan den disch althans. De tafel op een ander stede, Verschoont met linnen uit de kas Was al de quisting die men dede, Hier kwam geen lang beraad te pas. Mijn meid, die ‘k zelfs nog onderwijze Als die geen vrouw heeft, welk’ haar stell’, Hadd’ slechts gekookt na hare wijze En bragt het ’t zamen op, zoo snel. Nogthans zoo aten ons Gravinnen, Bij mij, als aan een rijke disch, Omdat s’ iets heerlijkers verzinnen Daar ’t hier voor ons gebruik slechts is. Een moes-gerigt van groene kruiden, Met liefd’ en met een blank gemoed, Is beter, bij verstand’ge luiden, Dan met geveindsheid overvloed. Ik kan ’t nog zelve niet verzinnen ’t Is als een droom schier in mijn geest, Dat d’aller waardigste Gravinnen Zijn onvermoedlijk hier geweest. Ik wist zoo weinig van dit komen, Als ik mijn sterfuur weten kan. Geen mensch hadd’ hier daarvan vernomen. Geen levend schepsel wist er van. Dat mag te regt verrasschen heeten. — Zij waren voor mijn deur, als ik Was op mijn kamerken gezeten, In mijn gewoon fatzoen en schik. Mijn huisje lag schier ’t onderst boven, On-opgeschikt aan alle kant, Bespinnekopt en fraai bestoven, Als ’t hier de wijze schijnt van ’t land. Hoe wel mijn dochterken en zoontje, Door ons Gravinnen vriendlijkheid, Een kus ontvingen op haar koontje, Zij waren niet mooi toebereid. Zij naderden onuitgestreken Zoo als z’ uit school juist kwamen gaan, En al zoo vreemd, als ik, toekeken: ’t Was overal gansch ongedaan. Op ’t onverwacht bezoek van Hare Hoog, Grave, Genade, Mevrouw de Gravinne en vrouwlijn VAN STYRUM, te Eibergen, den 30sten Maart 1671.
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy Mzg0NjU=