Bespinnekopt en fraai bestoven - Komische Willem Sluiter

Banden met grafelijke familie In de aanhef van het gedicht vermeldde Sluiter, op zijn vaak onderdanige wijze, dat bezoek van de gravin en haar dochter. Met de grafelijke familie in het kasteel te Borculo, hoofdzetel van de heerlijkheid, had hij zeer goed contact. Mogelijk hielpen deze familie- leden, aan wie hij zijn eerste drie bundels opdroeg, hem ook financieel. Graaf Otto van Limburg Styrum had in 1653 al Sluiters benoeming tot dominee in Eibergen afgedwon- gen. Zijn vrouw gravin Elisabeth Charlotte en hun dochter Amelia Louysa Wilhelmina waren zeer gesteld op de dichter en haalden hem ook over de eenvoudige bundel – over “het allersoetste van mijn eigen Huys-houdinge” (Sluiters woorden) – met zijn bekend- ste regels te publiceren. Veelzeggend is dat de Achterhoekse schrijver H.W. Heuvel in zijn boekje uit 1919 [4] uit het luchtige gedicht het kwatrijn met het woord ‘bespinnekopt’ opnam. De overige 64 regels, citeerde hij op zijn manier, fraai in eigen woorden samengevat. Heuvel was zeer poëtisch ingesteld, al zijn maar twee gedichten van hem bekend. De schrijver is een dichter, luidde zijn stelling. In zijn vele werk wemelde het van dichtregels, van anderen. Sluiter wekte in hem op jonge leeftijd de poëzie. Publicatie ver na zijn overlijden Heuvel liet de opmerkelijke herkomst van het gedicht onvermeld. Pas anderhalve eeuw na Sluiters overlijden, op 28 december 1673 in Zwolle, waar hij is begraven in de Grote Kerk, werd het gedicht gepubliceerd in de Geldersche Volks-almanak voor het jaar 1837, de derde editie, samen met een gedicht van Sluiter gericht aan een nicht in Arnhem. In deze jaarboekjes op klein fortmaat verschenen in de jaren dertig en veertig van de 19e eeuw enkele artikelen over hem en werd ook niet eerder uitgegeven werk van hem afgedrukt. Onder de titel Geldersche beroemde Mannen schonk L.A.J.W. Sloet in de al- manak van 1835 al uitvoerig aandacht aan Willem Sluiter en zijn werk. In de editie 1839 verschenen twee korte stukjes van M.A. Amshoff over Sluiter. [5] Het was lang de vraag waar dat toen (en nu ook vaak nog) onbekende Sluiterwerk vandaan is gekomen. In jaargang 1841 blijkt in een verhaal van een onbekende auteur, wellicht een nazaat, een tip van de sluier te zijn opgelicht. [6] Hij bood enige “tot dus ver onuitgegeven stukjes” aan van Sluiter, die waren bewaard door iemand in Steenwijk.

RkJQdWJsaXNoZXIy Mzg0NjU=